ARBO-wetgeving Draagbaar Klimmaterieel

 

Hieronder staan gedeeltes uit de ARBO-wet die wij er uitgelicht hebben en van toepassing zijn op Draagbaar Klimmaterieel.

 

Artikel 7.4a. Keuringen

1.Een arbeidsmiddel waarvan de veiligheid afhangt van de wijze van installatie wordt na de installatie en voordat het voor de eerste maal in gebruik wordt genomen gekeurd op de juiste wijze van installatie en goed en veilig functioneren.
2.Een arbeidsmiddel als bedoeld in het eerste lid, wordt voorts na elke montage op een nieuwe locatie of een nieuwe plek gekeurd op de juiste wijze van installatie en goed en veilig functioneren.
3.Een arbeidsmiddel dat onderhevig is aan invloeden die leiden tot verslechteringen welke aanleiding kunnen geven tot het ontstaan van gevaarlijke situaties wordt, zo dikwijls dit ter waarborging van de goede staat noodzakelijk is, gekeurd, waarbij het zo nodig wordt beproefd.
4.Een arbeidsmiddel als bedoeld in het derde lid wordt voorts gekeurd, waarbij het zo nodig wordt beproefd, telkens wanneer zich uitzonderlijke gebeurtenissen hebben voorgedaan die schadelijke gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid van het arbeidsmiddel. Als uitzonderlijke gebeurtenissen worden in ieder geval aangemerkt: natuurverschijnselen, veranderingen aan het arbeidsmiddel, ongevallen met het arbeidsmiddel en langdurige buitengebruikstelling van het arbeidsmiddel.
5.Keuringen worden uitgevoerd door een deskundige natuurlijke persoon, rechtspersoon of instelling.
6.Schriftelijke bewijsstukken van de uitgevoerde keuringen zijn op de arbeidsplaats aanwezig en worden desgevraagd getoond aan de
toezichthouder.
7.Dit artikel is niet van toepassing op attractie- en speeltoestellen waarop het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen van toepassing is.
8.Het eerste tot en met het vijfde lid zijn niet van toepassing op steigers waarop artikel 7.34 van toepassing is.
9.Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op:
a. hijs- en hefwerktuigen en hijs- en hefgereedschappen aan boord van schepen waarop artikel 7.29 van toepassing is;
b. liften waarop het Warenwetbesluit liften van toepassing is.
10.[Dit lid is nog niet in werking getreden.]
11.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op drukapparatuur waarop artikel 12b van het Warenwetbesluit drukapparatuur van toepassing is.
12.Het derde lid is niet van toepassing op:

  • a. hijs- en hefgereedschap waarop artikel 7.20 van toepassing is;

  • b. containers waarop het Warenwetbesluit containers van toepassing is;

  • c. hijskranen waarop de artikelen 6d tot en met 6f van het Warenwetbesluit machines van toepassing zijn;

  • d. transportsteigers waarop het Warenwetbesluit liften van toepassing is;

  • e. drukapparatuur waarop artikel 12c van het Warenwetbesluit drukapparatuur van toepassing is.

    13.Het vierde lid is ten aanzien van wijzigingen of reparaties niet van toepassing op drukapparatuur waarop artikel 12c van het Warenwetbesluit drukapparatuur van toepassing is.
    4.Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing op bouwliften voor personenvervoer waarop het Warenwetbesluit liften van toepassing is.

     

    Artikel 7.4. Deugdelijkheid arbeidsmiddelen en ongewilde gebeurtenissen

    1.Een arbeidsmiddel bestaat uit deugdelijk materiaal.
    2.Een arbeidsmiddel is van een deugdelijke constructie.
    3.Een arbeidsmiddel is zodanig geplaatst, bevestigd of
    ingericht en wordt zodanig gebruikt dat het gevaar dat zich een ongewilde
    gebeurtenis voordoet zoals verschuiven, omvallen, kantelen, getroffen worden
    door het arbeidsmiddel of onderdelen daarvan, oververhitting, brand,
    ontploffen, blikseminslag en directe of indirecte aanraking met elektriciteit
    zoveel mogelijk is voorkomen.
    4. Artikel 3.17 is van overeenkomstige toepassing.

    Artikel 7.23. Algemeen

  • 1.Indien tijdelijke werkzaamheden op hoogte niet veilig en onder passende ergonomische omstandigheden op een daartoe geschikte werkvloer kunnen worden uitgevoerd, worden de meest geschikte arbeidsmiddelen gekozen om veilige arbeidsomstandigheden te waarborgen en te handhaven. Om dit te bereiken:
    a. krijgen collectieve veiligheidsmaatregelen voorrang boven persoonlijke veiligheidsmaatregelen;
    b. zijn de afmetingen van de arbeidsmiddelen:

  • 1°. afgestemd op de aard van de te verrichten werkzaamheden;

  • 2°. afgestemd op de voorzienbare belastingen, en

  • 3°. zodanig dat zonder gevaar doorgang mogelijk is;

    c. worden de meest geschikte toegangsmiddelen voor de tijdelijke arbeidsplaats op hoogte gekozen afhankelijk van het verkeer, de te overbruggen hoogte en de gebruiksduur;
    d. biedt het gekozen toegangsmiddel de mogelijkheid van ontruiming bij dreigend gevaar;
    e. levert het overstappen van een toegangsmiddel op platformen, vloeren of loopbruggen en omgekeerd geen extra valrisico’s op.
    2.Met inachtneming van het eerste lid wordt het gebruik van ladders en trappen als arbeidsplaatsen op hoogte beperkt tot omstandigheden waarin het gebruik van andere, veiliger arbeidsmiddelen niet gerechtvaardigd is in verband met het geringe risico, en

  • a. vanwege de korte gebruiksduur, of

  • b. de bestaande kenmerken van de locaties die de werkgever niet kan veranderen.

    3.Toegangs- en positioneringstechnieken met lijnen worden alleen gebruikt onder omstandigheden waarin uit de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet, blijkt dat het werk veilig kan worden uitgevoerd en waarin het gebruik van andere, veiliger arbeidsmiddelen redelijkerwijs niet mogelijk is.
    4.In het geval, bedoeld in het derde lid, wordt, rekening houdend met de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet, en met de duur van de werkzaamheden en met de ergonomische vereisten, voorzien in een zitje met geschikte toebehoren.
    5.Afhankelijk van het te gebruiken arbeidsmiddel worden ter minimalisering van de aan dit arbeidsmiddel verbonden risico’s voor de werknemers, de nodige maatregelen genomen. Zo nodig worden valbeveiligingen aangebracht.
    6.De valbeveiligingen zijn van een zodanige configuratie en sterkte dat vallen van hoogte wordt voorkomen of dat een eventuele val wordt gestopt, zodanig dat letsel bij de werknemers zoveel mogelijk wordt voorkomen.
    7.De collectieve valbeveiligingen worden alleen onderbroken daar waar zich een toegang tot een ladder of trap bevindt.
    8.Wanneer de uitvoering van werkzaamheden vereist dat een collectieve valbeveiliging tijdelijk wordt verwijderd, wordt gezorgd voor doeltreffende, vervangende veiligheidsvoorzieningen.
    9.De werkzaamheden, bedoeld in het achtste lid, worden niet uitgevoerd zolang deze vervangende voorzieningen niet zijn getroffen.
    10.Na de definitieve of tijdelijke beëindiging van de werkzaamheden, bedoeld in het achtste lid, worden de collectieve valbeveiligingen weer aangebracht.
    11.Tijdelijke werkzaamheden op hoogte worden slechts uitgevoerd wanneer de weersomstandigheden de veiligheid en gezondheid van de werknemers niet in gevaar brengen.

    Artikel 3.16. Voorkomen valgevaar

    1.Bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat is zo mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer aangebracht of is het gevaar tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen.
    2.Er is in elk geval sprake van valgevaar bij aanwezigheid van risico verhogende omstandigheden, openingen in vloeren, of als het gevaar bestaat om 2,5 meter of meer te vallen.
    3.Het eerste lid is niet van toepassing op arbeid onder omstandigheden waarin het gebruik van ladders en trappen is toegestaan als bedoeld in artikel 7.23, tweede lid.
    4.Indien de in het eerste lid genoemde voorzieningen niet of slechts ten dele kunnen worden aangebracht of indien het aanbrengen of wegnemen daarvan grotere gevaren meebrengt dan de arbeid ter beveiliging waarvan zij zouden moeten dienen, zijn ter voorkoming van het gevaar voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze aangebracht of worden doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte gebruikt dan wel worden andere technische middelen toegepast, die ten minste een zelfde mate van beveiliging van de in het eerste lid bedoelde arbeid geven. Daarbij hebben maatregelen gericht op collectieve bescherming de voorrang boven maatregelen gericht op individuele bescherming.

    Beleidsregel 7.4 -4. Deugdelijkheid ladders

    Grondslag: Arbobesluit artikel 7.4.
    Ladders die gebruikt worden als toegangsmiddel of als arbeidsmiddel dienen tenminste te voldoen aan het Besluit draagbaar klimmaterieel (Warenwet).

    Besluit draagbaar klimmaterieel

    Besluit van 29 januari 1986, houdende regelen met betrekking tot bepaalde ladders en trappen
    Op de voordracht van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 24 januari 1985, DG Vgz/VVP/P, nr. 80093, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken, P. H. van Zeil en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A. Kappeyne van de Coppello;
    Overwegende dat het wenselijk is met betrekking tot de veiligheid van bepaalde ladders en trappen regelen te stellen ter voorkoming van lichamelijk letsel;
    Gelet op de artikelen 1, 14, 14a, 16 en 16a van de Warenwet (Stb. 1935, 793);
    De Adviescommissie Warenwet gehoord (advies van 10 juni 1983, nr. 13451(11)15);
    De Raad van State gehoord (advies van 21 juni 1985, no. W13.85.0102/21.5.25);
    Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 16 januari 1986, DG Vgz/VVP/P, nr. 82331, uitgebracht mede namens voornoemde Staatssecretaris van Economische Zaken en voornoemde Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
    Hebben goedgevonden en verstaan:

    Artikel 1

    1.In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. draagbaar klimmaterieel: de waar, bestaande uit bomen of stijlen en treden of sporten alsmede beslag en al dan niet voorzien van een daarmee één geheel uitmakend platform of standplaats, bedoeld om één gebruiker tegelijk de mogelijkheid te verschaffen een hoogteverschil te overbruggen dan wel een verhoogde c.q. verlaagde standplaats te bieden, en die bedoeld is om zonder mechanische hulpmiddelen te worden getransporteerd;

  • b. bomen of stijlen: de onderdelen van draagbaar klimmaterieel, die ten doel hebben de treden of sporten op een vaste afstand van elkaar te ondersteunen, het geheel de nodige stijfheid en stabiliteit te geven en tevens de gebruiker het nodige houvast te bieden;

  • c. treden of sporten: de op onderling gelijke afstand aanwezige horizontale onderdelen van het draagbare klimmaterieel, die als sta- en klimvlak dienst kunnen doen;

  • d. platform of standplaats: een onderdeel van draagbaar klimmaterieel als bedoeld onder c, met een vergroot oppervlak dat als hoogste standplaats kan fungeren;

  • e. beslag: alle onderdelen van het draagbare klimmaterieel niet genoemd onder b, c en d, die noodzakelijk zijn om het klimmaterieel te laten functioneren.

     
    2.In de zin van dit besluit wordt niet verstaan onder draagbaar klimmaterieel:

  • a. draagbaar klimmaterieel bedoeld om uitsluitend als speelgoed te worden gebruikt;

  • b. door Onze Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tezamen aan te wijzen draagbaar klimmaterieel.

    Artikel 2

    1.Draagbaar klimmaterieel moet:

  • a. voor wat betreft aard, samenstelling en andere eigenschappen van het gebezigde materiaal deugdelijk zijn;

  • b. een zodanige constructie hebben dat het gevaar voor de gebruiker om letsel op te lopen, dat bij gebruik van klimmaterieel aanwezig is, door de uitwendige staat, de stabiliteit of de sterkte van het draagbare klimmaterieel niet wordt vergroot.

    2.Onze Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tezamen kunnen omtrent het in het eerste lid bepaalde nadere regelen stellen. Deze regelen worden in de Staatscourant bekend gemaakt.

    Artikel 3

    1.Draagbaar klimmaterieel moet zijn voorzien van de volgende aanduidingen:

  • a. type-aanduiding van de waar;

  • b. de naam of handelsnaam en het adres van de fabrikant, importeur of verkoper;

  • c. een gebruiksaanwijzing welke, voor zover van toepassing, in ieder geval de voorschriften A5, B3, B10, C3 en C8 van de bij dit besluit behorende bijlage “Voorschriften inzake de inhoud van de gebruiksaanwijzing en de handleiding voor draagbaar klimmaterieel”, of voorschriften van gelijke strekking bevat, alsmede een verwijzing naar een in het derde lid genoemde handleiding.

    2.De in het eerste lid genoemde aanduidingen moeten in de Nederlandse taal gesteld, duidelijk leesbaar en onuitwisbaar op de waar zijn aangebracht waarbij de in het eerste lid onder c genoemde gebruiksaanwijzing zich op een in een gebruikssituatie goed zichtbare plaats dient te bevinden.
    3.Draagbaar klimmaterieel moet zijn vergezeld van een handleiding welke tenminste de in de bij dit besluit behorende bijlage “Voorschriften inzake de inhoud van de gebruiksaanwijzing en de handleiding voor draagbaar klimmaterieel” genoemde voorschriften bevat, of voorschriften van gelijke strekking, voor zover deze betrekking hebben op het betreffende materieel. Deze handleiding moet duidelijk leesbaar zijn en in de Nederlandse taal zijn gesteld.

    Artikel 4

    1.Voor de beoordeling of draagbaar klimmaterieel voldoet aan het bij of krachtens dit besluit bepaalde, moet worden gebruik gemaakt van de terzake door Onze Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgestelde onderzoekingsmethoden voorzover deze daarvoor toereikend zijn.
    2.Deze onderzoekingsmethoden worden in de Staatscourant bekend gemaakt.

    Artikel 5

    Aan de opsomming van waren in het besluit van 26 maart 1921 (Stb. 638) tot aanwijzing van artikelen als “waren” in de zin van de Warenwet (Stb. 1935, 793) wordt toegevoegd: “draagbaar klimmaterieel”.

    Artikel 6

    1.Dit besluit kan worden aangehaald als: “Besluit draagbaar klimmaterieel (Warenwet)”.
    2.Dit besluit treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
    Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
    ‘s-Gravenhage, 29 januari 1986
    Beatrix
    De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
    J. P. van der Reijden
    De Staatssecretaris van Economische Zaken,
    P. H. van Zeil
    De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
    A. Kappeyne van de
    Coppello
     
    Uitgegeven de
    twintigste maart 1986
    De Minister van Justitie,
    F. Korthals
    Altes

    Bijlage bij Besluit draagbaar klimmaterieel (Warenwet)

    Voorschriften inzake de inhoud van de gebruiksaanwijzing en de handleiding voor draagbaar klimmaterieel.

    A. Inspectie en voorbereiding

  • A. 1. Controleer draagbaar klimmaterieel na ontvangst en voor ieder gebruik.

  • A. 2. Controleer vóór ieder gebruik alle onderdelen van draagbaar klimmaterieel op hun toestand en werking.

  • A. 3. Gebruik nooit beschadigd of gebroken draagbaar klimmaterieel.

  • A. 4. Breng geen tijdelijke reparaties aan aan draagbaar klimmaterieel. Laat reparaties van draagbaar klimmaterieel over aan een
    terzake deskundige.

  • A. 5. Houd draagbaar klimmaterieel zoveel mogelijk vrij van ongerechtigheden, zoals natte verf, modder, sneeuw en olie.

    B. Toepassing en plaatsing

    I. Algemeen

  • B. 1. Gebruik draagbaar klimmaterieel uitsluitend voor het doel waarvoor het is vervaardigd. Maak geen oneigenlijk gebruik van draagbaar klimmaterieel.

  • B. 2. Stel draagbaar klimmaterieel zorgvuldig op. Ga met overleg te werk. Plaats draagbaar klimmaterieel niet ondersteboven, achterstevoren of tegen ronde of smalle zuilen e.d..

  • B. 3. Plaats draagbaar klimmaterieel nooit op tafels, kisten, kratten of een ander onstabiel stavlak.

  • B. 4. Plaats draagbaar klimmaterieel niet op een helling of op een zachte, oneffen of gladde ondergrond.

  • B. 5. Neem extra voorzorgen wanneer draagbaar klimmaterieel voor een deuropening, in een passage e.d. moet worden opgesteld.

  • B. 6. Pas op! Metalen draagbaar klimmaterieel is geleidend voor elektriciteit. Plaats metalen draagbaar klimmaterieel op minimaal 2 meter van niet-geïsoleerde, onder spanning staande elektrische delen.

  • B. 7. Gebruik bij harde wind – windkracht 6 – buitenshuis geen draagbaar klimmaterieel.

  • B. 8. Laat opgesteld draagbaar klimmaterieel nooit onbeheerd achter. Denk aan kinderen.

  • B. 9. Beklim bij 3-delige reformladders, welke worden toegepast als vrijstaand draagbaar klimmaterieel, nooit het uitgeschoven derde ladderdeel boven het scharnierpunt.

    II. Voor draagbaar klimmaterieel welk tegen een muur, wand of gevel wordt geplaatst

  • B. 10. Plaats draagbaar klimmaterieel zodanig, dat de afstand van de voet van het draagbaar klimmaterieel tot de muur ongeveer gelijk is aan een kwart van de lengte van het draagbaar klimmaterieel. (Het draagbare klimmaterieel behoort in deze stand onder een hoek van ± 75° ten opzichte van het horizontale vlak te staan).

  • B. 11. Stel draagbaar klimmaterieel op tegen een stevig dragend punt, nooit tegen een raam.

  • B. 12. Gebruik draagbaar klimmaterieel van de goede lengte. Het draagbaar klimmaterieel dient tenminste één meter uit te steken boven de plaats waartoe het toegang geeft.

  • B. 13. Plaats draagbaar klimmaterieel welk kan worden opgestoken zodanig, dat alleen beklimming mogelijk is aan de opgestoken zijde.

  • B. 14. Let er op dat bij meerdelig draagbaar klimmaterieel, welk in uitgeschoven of opgestoken stand wordt gebruikt, de haken goed over de sporten grijpen.

  • B. 15. Het optrektouw moet in de gebruiksstand van het draagbare klimmaterieel zijn vastgezet aan een sport.

    C. Beklimming en gebruik

  • C. 1. Beklim draagbaar klimmaterieel altijd met het gezicht er naar toe.

  • C. 2. Beklim draagbaar klimmaterieel alleen, wanneer u minimaal één hand vrij hebt om het vast te houden.

  • C. 3. Beklim draagbaar klimmaterieel zonder platform nooit hoger dan de vierde standplaats van bovenaf.

  • C. 4. Draag bij het gebruik van draagbaar klimmaterieel geen slippers, schoenen met hoge hak of klompschoenen.

  • C. 5. Draag bij het gebruik van draagbaar klimmaterieel geen schoeisel met gladde of vervuilde zolen.

  • C. 6. Zorg dat u bij het verrichten van werkzaamheden altijd met twee voeten op het draagbaar klimmaterieel staat.

  • C. 7. Ga nooit met één voet op draagbaar klimmaterieel en met de andere voet op bijvoorbeeld een raamkozijn staan.

  • C. 8. Leun niet te ver opzij. Verplaats draagbaar klimmaterieel wat vaker.

  • C. 9. Verplaats draagbaar klimmaterieel niet wanneer u er op staat.

    D. Onderhoud en opslag

  • D. 1. Onderhoud draagbaar klimmaterieel volgens de voorschriften.

  • D. 2. Inspecteer draagbaar klimmaterieel geregeld op gebreken, zoals vervorming en slijtage.

  • D. 3. Laat iedere beschadiging aan draagbaar klimmaterieel zo spoedig mogelijk repareren door een terzake deskundige.

  • D. 4. Houd draagbaar klimmaterieel schoon en vrij van ongerechtigheden.

  • D. 5. Behandel houten draagbaar klimmaterieel minimaal één maal per jaar met een houtconserveringsmiddel of met blanke lak.

  • D. 6. Schilder houten draagbaar klimmaterieel nooit met verf.

  • D. 7. Vernietig gebroken, versleten of onherstelbaar beschadigd draagbaar klimmaterieel.

  • D. 8. Berg draagbaar klimmaterieel zodanig op, dat doorhangen wordt voorkomen.

  • D. 9. Berg houten draagbaar klimmaterieel op in een koele en voldoende geventileerde ruimte.

    Deze bijlage behoort bij het Besluit draagbaar klimmaterieel (Warenwet).

     

    A

     

     

    ARBO-wetgeving Rolsteigers

     

    Hieronder staan gedeeltes uit de ARBO-wet die wij er uitgelicht hebben en van toepassing zijn op Rolsteigers.

     

    Artikel 7.4a. Keuringen

    1.Een arbeidsmiddel waarvan de veiligheid afhangt van de wijze van installatie wordt na de installatie en voordat het voor de eerste maal in gebruik wordt genomen gekeurd op de juiste wijze van installatie en goed en veilig functioneren.
    2.Een arbeidsmiddel als bedoeld in het eerste lid, wordt voorts na elke montage op een nieuwe locatie of een nieuwe plek gekeurd op de juiste wijze van installatie en goed en veilig functioneren.
    3.Een arbeidsmiddel dat onderhevig is aan invloeden die leiden tot verslechteringen welke aanleiding kunnen geven tot het ontstaan van gevaarlijke situaties wordt, zo dikwijls dit ter waarborging van de goede staat noodzakelijk is, gekeurd, waarbij het zo nodig wordt beproefd.
    4.Een arbeidsmiddel als bedoeld in het derde lid wordt voorts gekeurd, waarbij het zo nodig wordt beproefd, telkens wanneer zich uitzonderlijke gebeurtenissen hebben voorgedaan die schadelijke gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid van het arbeidsmiddel. Als uitzonderlijke gebeurtenissen worden in ieder geval aangemerkt: natuurverschijnselen, veranderingen aan het arbeidsmiddel, ongevallen met het arbeidsmiddel en langdurige buitengebruikstelling van het arbeidsmiddel.
    5.Keuringen worden uitgevoerd door een deskundige natuurlijke persoon, rechtspersoon of instelling.
    6.Schriftelijke bewijsstukken van de uitgevoerde keuringen zijn op de arbeidsplaats aanwezig en worden desgevraagd getoond aan de
    toezichthouder.
    7.Dit artikel is niet van toepassing op attractie- en speeltoestellen waarop het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen van toepassing is.
    8.Het eerste tot en met het vijfde lid zijn niet van toepassing op steigers waarop artikel 7.34 van toepassing is.
    9.Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op:
    a. hijs- en hefwerktuigen en hijs- en hefgereedschappen aan boord van schepen waarop artikel 7.29 van toepassing is;
    b. liften waarop het Warenwetbesluit liften van toepassing is.
    10.[Dit lid is nog niet in werking getreden.]
    11.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op drukapparatuur waarop artikel 12b van het Warenwetbesluit drukapparatuur van toepassing is.
    12.Het derde lid is niet van toepassing op:

  • a. hijs- en hefgereedschap waarop artikel 7.20 van toepassing is;

  • b. containers waarop het Warenwetbesluit containers van toepassing is;

  • c. hijskranen waarop de artikelen 6d tot en met 6f van het Warenwetbesluit machines van toepassing zijn;

  • d. transportsteigers waarop het Warenwetbesluit liften van toepassing is;

  • e. drukapparatuur waarop artikel 12c van het Warenwetbesluit drukapparatuur van toepassing is.

    13.Het vierde lid is ten aanzien van wijzigingen of reparaties niet van toepassing op drukapparatuur waarop artikel 12c van het Warenwetbesluit drukapparatuur van toepassing is.
    4.Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing op bouwliften voor personenvervoer waarop het Warenwetbesluit liften van toepassing is.

    Artikel 7.4. Deugdelijkheid arbeidsmiddelen en ongewilde gebeurtenissen

    1.Een arbeidsmiddel bestaat uit deugdelijk materiaal.
    2.Een arbeidsmiddel is van een deugdelijke constructie.
    3.Een arbeidsmiddel is zodanig geplaatst, bevestigd of  ingericht en wordt zodanig gebruikt dat het gevaar dat zich een ongewilde  gebeurtenis voordoet zoals verschuiven, omvallen, kantelen, getroffen worden  door het arbeidsmiddel of onderdelen daarvan, oververhitting, brand,  ontploffen, blikseminslag en directe of indirecte aanraking met elektriciteit  zoveel mogelijk is voorkomen.
    4. Artikel 3.17 is van overeenkomstige toepassing.

    Artikel 7.23. Algemeen

    1.Indien tijdelijke werkzaamheden op hoogte niet veilig en onder passende ergonomische omstandigheden op een daartoe geschikte werkvloer kunnen worden uitgevoerd, worden de meest geschikte arbeidsmiddelen gekozen om veilige arbeidsomstandigheden te waarborgen en te handhaven. Om dit te bereiken:
    a. krijgen collectieve veiligheidsmaatregelen voorrang boven persoonlijke veiligheidsmaatregelen;
    b. zijn de afmetingen van de arbeidsmiddelen:

  • 1°. afgestemd op de aard van de te verrichten werkzaamheden;

  • 2°. afgestemd op de voorzienbare belastingen, en

  • 3°. zodanig dat zonder gevaar doorgang mogelijk is;

    c. worden de meest geschikte toegangsmiddelen voor de tijdelijke arbeidsplaats op hoogte gekozen afhankelijk van het verkeer, de te overbruggen hoogte en de gebruiksduur;
    d. biedt het gekozen toegangsmiddel de mogelijkheid van ontruiming bij dreigend gevaar;
    e. levert het overstappen van een toegangsmiddel op platformen, vloeren of loopbruggen en omgekeerd geen extra valrisico’s op.
    2.Met inachtneming van het eerste lid wordt het gebruik van ladders en trappen als arbeidsplaatsen op hoogte beperkt tot omstandigheden waarin het gebruik van andere, veiliger arbeidsmiddelen niet gerechtvaardigd is in verband met het geringe risico, en

  • a. vanwege de korte gebruiksduur, of

  • b. de bestaande kenmerken van de locaties die de werkgever niet kan veranderen.

    3.Toegangs- en positioneringstechnieken met lijnen worden alleen gebruikt onder omstandigheden waarin uit de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet, blijkt dat het werk veilig kan worden uitgevoerd en waarin het gebruik van andere, veiliger arbeidsmiddelen redelijkerwijs niet mogelijk is.
    4.In het geval, bedoeld in het derde lid, wordt, rekening houdend met de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de wet, en met de duur van de werkzaamheden en met de ergonomische vereisten, voorzien in een zitje met geschikte toebehoren.
    5.Afhankelijk van het te gebruiken arbeidsmiddel worden ter minimalisering van de aan dit arbeidsmiddel verbonden risico’s voor de werknemers, de nodige maatregelen genomen. Zo nodig worden valbeveiligingen aangebracht.
    6.De valbeveiligingen zijn van een zodanige configuratie en sterkte dat vallen van hoogte wordt voorkomen of dat een eventuele val wordt gestopt, zodanig dat letsel bij de werknemers zoveel mogelijk wordt voorkomen.
    7.De collectieve valbeveiligingen worden alleen onderbroken daar waar zich een toegang tot een ladder of trap bevindt.
    8.Wanneer de uitvoering van werkzaamheden vereist dat een collectieve valbeveiliging tijdelijk wordt verwijderd, wordt gezorgd voor doeltreffende, vervangende veiligheidsvoorzieningen.
    9.De werkzaamheden, bedoeld in het achtste lid, worden niet uitgevoerd zolang deze vervangende voorzieningen niet zijn getroffen.
    10.Na de definitieve of tijdelijke beëindiging van de werkzaamheden, bedoeld in het achtste lid, worden de collectieve valbeveiligingen weer aangebracht.
    11.Tijdelijke werkzaamheden op hoogte worden slechts uitgevoerd wanneer de weersomstandigheden de veiligheid en gezondheid van de werknemers niet in gevaar brengen.

    Artikel 3.16. Voorkomen valgevaar

    1.Bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat is zo mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer aangebracht of is het gevaar tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen.
    2.Er is in elk geval sprake van valgevaar bij aanwezigheid van risico verhogende omstandigheden, openingen in vloeren, of als het gevaar bestaat om 2,5 meter of meer te vallen.
    3.Het eerste lid is niet van toepassing op arbeid onder omstandigheden waarin het gebruik van ladders en trappen is toegestaan als bedoeld in artikel 7.23, tweede lid.
    4.Indien de in het eerste lid genoemde voorzieningen niet of slechts ten dele kunnen worden aangebracht of indien het aanbrengen of wegnemen daarvan grotere gevaren meebrengt dan de arbeid ter beveiliging waarvan zij zouden moeten dienen, zijn ter voorkoming van het gevaar voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze aangebracht of worden doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte gebruikt dan wel worden andere technische middelen toegepast, die ten minste een zelfde mate van beveiliging van de in het eerste lid bedoelde arbeid geven. Daarbij hebben maatregelen gericht op collectieve bescherming de voorrang boven maatregelen gericht op individuele bescherming.

    Artikel 7.34. Steigers

    1.De veiligheid van de constructie van een steiger wordt regelmatig door een ter zake deskundig persoon gecontroleerd doch in ieder geval vóór de ingebruikneming en verder na iedere wijziging in de constructie van de steiger, na iedere periode waarin de steiger niet is gebruikt, na abnormale weersomstandigheden alsmede na iedere andere gebeurtenis waardoor de veiligheid van de constructie van de steiger mogelijk is aangetast.
    2.Een steiger mag niet worden overbelast. Lasten worden zo gelijkmatig mogelijk over de steiger verdeeld.
    3.Verrijdbare steigers zijn beveiligd tegen ongewilde verplaatsingen

    Artikel 7.23b. Specifieke bepalingen betreffende steigers

    1.Wanneer voor de gekozen steiger de sterkte- en stabiliteitsberekening niet beschikbaar is of de overwogen structuurconfiguraties in de berekening niet zijn voorzien, wordt alsnog een sterkte- en stabiliteitsberekening uitgevoerd, tenzij de steiger wordt opgebouwd volgens een algemeen erkende standaardconfiguratie.
    2.Afhankelijk van de complexiteit van de gekozen steiger wordt door een daartoe bevoegde persoon een montage-, demontage- en ombouwschema opgesteld. Dit schema kan de vorm hebben van een algemeen uitvoeringsschema, dat voor specifieke steigers is aangevuld met detailtekeningen.
    3.De ondersteuningen van een steiger worden beveiligd tegen wegglijden, hetzij door bevestiging aan het steunvlak, hetzij door een antislipinrichting of een andere, even doeltreffende oplossing.
    4.Het dragende oppervlak van de ondersteuningen heeft een voldoende capaciteit.
    5.De stabiliteit van de steiger is verzekerd. Ongewilde bewegingen van rolsteigers tijdens werkzaamheden op hoogte worden door een passende voorziening voorkomen.
    6.De afmetingen, de vorm en de ligging van de vloeren van een steiger worden aan de aard van de te verrichten werkzaamheden en aan de te dragen lasten aangepast en zijn zodanig dat veilig verkeer kan plaatsvinden en veilig kan worden gewerkt.
    7.De vloeren van steigers zijn zodanig gemonteerd dat hun onderdelen bij normaal gebruik niet kunnen bewegen. Tussen de onderdelen van de vloeren en de verticale inrichtingen van de collectieve valbeveiligingen komen geen gevaarlijke openingen voor.
    8.Indien bepaalde gedeelten van een steiger niet gebruiksklaar zijn, worden deze gedeelten met inachtneming van afdeling 2 van hoofdstuk 8 gemarkeerd met waarschuwingssignalen en behoorlijk afgebakend door materiële elementen die de toegang tot de gevarenzone beletten.
    9.Steigers worden alleen opgebouwd, afgebroken of ingrijpend veranderd onder leiding van een bevoegde persoon en door werknemers die voor de beoogde werkzaamheden een toereikende en specifieke opleiding hebben ontvangen met betrekking tot de specifieke risico’s die in het bijzonder is gericht op:

  • a. het begrijpen van het montage-, demontage- en ombouwschema van de betreffende steiger;

  • b. het veilig monteren, demonteren of ombouwen van de betreffende steiger;

  • c. maatregelen ter preventie van het risico dat personen of voorwerpen vallen;

  • d. veiligheidsmaatregelen bij veranderende weersomstandigheden die afbreuk kunnen doen aan de veiligheid van de betrokken steigers;

  • e. de toelaatbare belasting;

  • f. ieder ander risico dat de montage-, demontage- of ombouwwerkzaamheden met zich mee kunnen brengen.

    10.De persoon die de werkzaamheden leidt en de betrokken werknemers moeten beschikken over het montage-, demontage- en ombouwschema, bedoeld in het tweede lid, met inbegrip van eventuele daarbij behorende instructies.

     

    ARBO-wetgeving Elektrische Arbeidsmiddelen

     

    Hieronder staan gedeeltes uit de ARBO-wet die wij er uitgelicht hebben en van toepassing zijn op Elektrische arbeidsmiddelen

     

  • Artikel 3.4 Elektrische installaties

  • Elektrische installaties zijn zodanig ontworpen, ingericht, aangelegd, onderhouden en gekenmerkt, dat een veilig gebruik van elektriciteit zo goed mogelijk is gewaarborgd. Hiertoe zijn de nodige voorzieningen en beschermingsmaatregelen aangebracht, waaronder worden begrepen beveiligings-, meet-, controle- en signaleringstoestellen alsmede aarders, schakelaars, scheiders en contactdozen. Daarbij is rekening gehouden met bijzondere eisen die kunnen voortkomen uit de wijze van het gebruik, de gebruiksomstandigheden en de te verwachten uitwendige invloeden.
    In een elektrische installatie zijn doeltreffende maatregelen genomen tegen het gevaar van brand, ontploffing, directe en indirecte aanraking.
    Van iedere elektrische installatie zijn duidelijke, steeds bijgewerkte schema’s beschikbaar alsmede alle overige gegevens die nodig zijn voor een veilig gebruik van de elektrische installatie.
     
    Artikel 3.5 Elektrotechnische, bedienings- en andere werkzaamheden aan of nabij een elektrische installatie


  • Elektrotechnische werkzaamheden en bedieningswerkzaamheden die gevaren kunnen opleveren, worden door deskundige, voldoende onderrichte en daartoe bevoegde werknemers uitgevoerd.
    Een ruimte waarin zich een elektrische installatie voor hoogspanning bevindt waarvan de delen niet of onvoldoende zijn beschermd tegen directe of indirecte aanraking dan wel te dichte nadering, wordt slechts betreden in aanwezigheid van een tweede daartoe bevoegd persoon.
    Werkzaamheden aan of in de nabijheid van een elektrische installatie worden slechts uitgevoerd, indien de installatie of het gedeelte waaraan of in de nabijheid waarvan wordt gewerkt, spanningsloos is.
    In aanvulling op het derde lid zijn door de daartoe bevoegde werknemer tevens doeltreffende maatregelen genomen om een gevaarloos verloop van die werkzaamheden te waarborgen.
    Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op werkzaamheden die worden verricht aan of in de nabijheid van een elektrische installatie voor laagspanning, indien:

     

  1. de dringende noodzaak van het onder spanning uitvoeren van die werkzaamheden is aangetoond;
  2. tot het uitvoeren van die werkzaamheden door de daartoe bevoegde werknemer uitdrukkelijk opdracht is gegeven, en
  3. de installatie tevens geschikt is voor het onder spanning uitvoeren van die werkzaamheden en door de daartoe bevoegde werknemer doeltreffende maatregelen zijn genomen om de aan die werkzaamheden verbonden gevaren te voorkomen.

 

Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op werkzaamheden die worden uitgevoerd aan of in de nabijheid van een elektrische installatie voor hoogspanning, bestaande uit:

  1. het nemen en opheffen van veiligheidsmaatregelen, waaronder begrepen het met geschikt materieel knippen of schieten van kabels;
  2. het uitvoeren van metingen en beproevingen, of
  3. het reinigen van elektrisch materieel.


Beleidsregel 3.4 Arbobesluit
De normen NEN 1010, NEN 1041, NEN 3134 en NEN 3410 zijn de meest essentiële normen, die gehanteerd worden bij de inrichting van arbeidsplaatsen en het veilig gebruik van elektriciteit. De normen zijn door de Energiedistributiebedrijven opgenomen in hun aansluitvoorwaarden in verband met de levering van elektrische energie. Ook in de Woningwet i.c. het Bouwbesluit wordt gerefereerd aan vorengenoemde normen in verband met het ontwerp en de uitvoering van de elektrische installatie van bedrijfsgebouwen en overige niet voor bewoning bestemde gebouwen.

NEN 5237 bevat bepalingen voor de installatie, het gebruik en de inspectie van bedrijfsmatig toegepaste schrikdraadinstallaties.
NEN-EN 50110-1 is een Europese norm op het terrein van bedrijfsvoering van zowel de elektrische hoog- als laagspanningsinstallaties. Deze norm is afgestemd op het gemiddelde beschermingsniveau van de bij het Europese Normalisatie Instituut Cenelec aangesloten landen. Uitvoering van deze norm zou onder meer voor Nederland een versoepeling betekenen in de bedrijfsvoering van elektrische installaties. In het kader van de arbeidsomstandigheden is dit een ongewenste situatie en er is gebruik gemaakt van de mogelijkheid om aanvullende voorschriften te notificeren bij Cenelec. Alle door de verschillende landen genotificeerde aanvullende voorschriften zijn opgenomen in een afzonderlijke Europese norm, te weten NEN-EN 50110-2; nadrukkelijk wordt dan ook verwezen naar de voor Nederland geldende aanvullende voorschriften met een hogere prioriteit, welke in deze norm zijn opgenomen.
NEN3140 bevat bepalingen omtrent de organisatie van werkzaamheden aan of in de onmiddellijke omgeving van elektrische laagspanningsinstallaties. De norm is onderverdeeld in vier secties, die onderling een nauwe samenhang hebben. In sectie 1, “Algemene bepalingen” zijn de verantwoordelijkheden en bevoegdheden opgenomen in verband met te verrichten werkzaamheden zoals aangegeven in de overige secties.
In het kader van deze beleidsregel is voornamelijk sectie 2 ,”Periodieke controle, inspectie, onderhoud en reparatie” van NEN3140 van belang in verband met de bepaling over het onderhoud van een elektrische installatie zoals bepaald bij artikel 3.4. van het Arbobesluit.
NEN3140 is ook genoemd in een beleidsregel op basis van artikel 3.5 van het Arbobesluit waarin werkzaamheden en bedieningswerkzaamheden geregeld zijn, die aan en in de nabijheid van elektrische installaties worden verricht. De secties 3 en 4 van de onderhavige norm hebben hoofdzakelijk
betrekking op de bedoelde werkzaamheden.
De norm NEN 3840 is speciaal ontwikkeld voor de bedrijfsvoering van elektrische hoogspannings-installaties.

Beleidsregel 3.5 Arbobesluit
NEN-EN 50110-1 is een Europese norm op het terrein van bedrijfsvoering van zowel de elektrische hoog- als laagspanningsinstallaties. Op die norm zijn door verschillende landen aanvullende voorschriften genotificeerd, welke zijn opgenomen in NEN-EN 50110-2. Naar de voor Nederland geldende aanvullende voorschriften wordt in deze beleidsregel nadrukkelijk verwezen.
De norm NEN3140 wordt gehanteerd in verband met elektrotechnische werkzaamheden en bedieningswerkzaamheden aan laagspanningsinstallaties en de daarmee samenhangende bedrijfsvoering op de arbeidsplaats.
NEN 3840 is een nieuwe norm voor de bedrijfsvoering van elektrische hoogspanningsinstallaties. Met de aanwijzing van deze norm zijn de verwijzingen naar de Bedrijfsinstructie ten aanzien van de hoogspanningsaanleg B.I.H. 1976 en de NEN 1041, komen te vervallen.